VV Blauw Wit’81 heeft met Joey Verhoeven een jonge, gedreven trainer naar De Moer gehaald. Hij boekte bij UVV’40 al grote successen door twee keer in drie seizoenen te promoveren en hoopt ook Blauw Wit’81 naar de derde klasse te leiden. Dat is echter nog niet zo makkelijk bij een dorpsclub met een smalle selectie.

“Ik kende Blauw Wit’81 als een echte dorpsclub, met een stug team en altijd een paar leuke voetballers”, vertelt Verhoeven. “Ze spraken in de gesprekken met mij de ambitie uit om in de komende jaren eens naar de derde klasse te promoveren. Dat zag ik wel zitten.”

Verhoeven vergaarde zijn kennis over Blauw Wit’81 tijdens zijn loopbaan als voetballer, toen hij regelmatig tegen de club uit De Moer speelde. Op zijn 30ste stopte hij echter al als actief voetballer. “Ik kreeg steeds meer last van mijn rug, vooral op de maandagochtend na een wedstrijd. Dan kon ik soms mijn sokken niet eens meer aantrekken. Aangezien ik als sportinstructeur werkte, was dat niet handig. Toen ben ik eerst lager gaan voetballen en later helemaal gestopt.”

Hij is direct aan de slag gegaan als trainer. Eerst in de jeugd, later bij UVV’40 als hoofdcoach. Hij hielp die club in drie seizoenen tijd van de vijfde naar de derde klasse, maar moest toch het veld ruimen. “De voorzitter daar vond dat een trainer na drie jaar weg moest, dan was de rek eruit volgens hem. Daar waren veel mensen binnen die club, de spelers en ik het echter niet mee eens.”

Verhoeven ging op zoek naar een nieuwe club. Stilzitten is niks voor de 37-jarige Tilburger. “Ik werk graag met jonge gasten, die fanatiek zijn en beter willen worden. Ik hou er ook van om mijn teams mooi voetbal te laten spelen.”

Verhoeven vindt de term ‘periodisering’ belangrijk in zijn trainingen. Hij weet vanuit zijn huidige vak als sportmasseur, -therapeut en hersteltrainer als geen ander hoe hij zijn spelers in goede fysieke staat aan de start van een wedstrijd laat verschijnen. “Ik train hard, geen anderhalf maar twee uur per avond. Vooral in de voorbereiding en vlak na de winterstop is dat belangrijk. Daarnaast moet het positiespel goed zijn. Als die twee facetten in orde zijn, kunnen we een tegenstander in de eindfase van een wedstrijd kapotspelen. Dat lukt mijn teams vaak, je ziet dat wij in de laatste tien minuten nog een tandje bij kunnen zetten terwijl de andere partij al stuk zit.”

Het is echter wel lastig werken voor hem bij Blauw Wit’81, omdat de selectie krap is. “We kunnen nooit eens tien tegen tien trainen, dat is jammer. Het zijn vaak dezelfde tien, elf, twaalf spelers die er zijn op de training.” Toch verwacht hij dit seizoen de plek in het linkerrijtje vast te houden. “Plek vier, vijf of zes moet mogelijk zijn. De bovenste ploegen hebben een veel bredere selectie dus daar leggen we het tegen af, maar als we daar net onder eindigen hebben we het gewoon heel goed gedaan.”