Net als duizenden jongetjes droomde hij ervan ooit in het Feyenoord-shirt in De Kuip te mogen spelen. Ook voor Quincy Oosterom was een bestaan bij de profclub van Rotterdam-Zuid niet weggelegd. Hij vond echter in de amateurs van Sportclub Feyenoord een ‘geweldig alternatief’. “Ook bij ons klinkt bij het betreden van het veld het clublied. Met mij doet dat heel veel.”

Oosterom, 24 jaar inmiddels, is een die-hard Feyenoorder. “Ik heb al jarenlang een seizoenkaart”, wijst hij met zijn vinger vanaf Varkenoord naar de andere kant van de Olympiaweg, naar de ‘voetbaltempel’ van Rotterdam-Zuid, De Kuip. “Die club is echt mijn lust en mijn leven.”

Jaren geleden maakte hij zelf deel uit van de opleidingsacademie van de Rotterdammers. Zeven jaar liep hij rond op Varkenoord. “Ik ben hier als jongen gevormd als mens én als voetballer”, weet hij. “Ik ben dankbaar dat ik die kans heb gekregen.”

Hij maakte deel uit van de lichting Jefferson Cabral, Jean-Paul Boëtius, en Anass Achabar. “Meer jongens hebben het niet gehaald dan wel. Ik kwam hier als spelertje van Simonshaven binnen. Na Feyenoord heb ik nog een jaar in de jeugd van Sparta gespeeld. Via Xerxes ben ik als senior doorgebroken bij Excelsior Maassluis. Daar heb ik vier jaar gespeeld.”

Hij vond vervolgens onderdak in zijn huidige woonplaats, bij VV Capelle, dat in de derde divisie speelde. “Het eerste seizoen speelde ik alles. Ik was één van de twee controlerende middenvelders. Gertjan Rothman was de ander. Het was een topseizoen.”

Met de komst van een andere trainer – Winand van Loon kwam naar sportpark ’t Slot – veranderde ook het perspectief van de metselaar, die niet vies is van een tattoo meer of minder. “De nieuwe trainer maakte andere keuzes. Zijn goed recht natuurlijk, maar ik kwam veel minder aan spelen toe dan in mijn eerste seizoen. Dat zette me wel aan het denken, zeker toen duidelijk werd dat de trainer nog een seizoen zou blijven. Ik heb me toen de vraag gesteld: wil ik dit nog een seizoen? Nee, was het antwoord.”

Feyenoord hing al snel aan de lijn. “Twee jaar eerder hadden ze me ook al eens benaderd”, verklapt Oosterom. “Maar toen kon ik met Capelle in de derde divisie spelen. Nu lagen de zaken anders. Feyenoord is ambitieus, ik wilde een nieuwe uitdaging. Sportief was het dan wel twee stappen achteruit, maar die heb ik wel gezet met het idee om er straks weer twee vooruit te zetten.”

“Ik had niet het idee om bij een nieuwe club te beginnen. Ik zag heel veel bekenden van vroeger. De klik was er buiten, maar ook binnen het veld. We herbergen heel veel voetballende kwaliteiten, maar ook qua teamgeest zijn we top. Ze hebben het wel eens over de juiste chemie. Nou, dat hebben we in het elftal. We werken voor elkaar. In zo’n situatie is het niet erg om het zogenaamde vuile werk voor de ander op te knappen.”

“Kijk, het is een illusie dat je 26 wedstrijden goed speelt. Je kan nog zo’n goed elftal hebben en nóg zo graag willen, het gebeurt gewoon niet. Als je zo’n mindere dag hebt, komt het op andere eigenschappen aan. Gaat het voetballend niet, dan moet het met een portie werklust waar je u tegen zegt. Die eigenschap bezit deze ploeg.”

Oosterom en zijn ploeggenoten zijn door de ‘concurrenten’ al ongeveer gehuldigd als kampioen. Daarin schuilt volgens de middenvelder ook het ‘gevaar’ voor het vervolg van de competitie. Concentratie is een vereiste. “We mogen en kunnen niet verslappen. We zullen onszelf scherp moeten houden. Brielle ligt op de loer. Ik vier het pas als we daadwerkelijk kampioen zijn.”