Ed Strik zat vroeger altijd te zeuren tegen ‘die lui’

Goed gebekt. Ed Strik groeide op in Den Haag “en dan weet je het wel”. Als scheidsrechter op de voetbalvelden is zo’n scherp tongetje wel handig. “Soms kun je het beter met je mond oplossen dan met een kaart”, aldus de voorzitter van de scheidsrechterscommissie van VV Katwijk.

“Ik zat vroeger altijd te zeuren tegen die lui”, zegt de 63-jarige inwoner van Valkenburg. Met ‘die lui’ bedoelt hij scheidsrechters. “Joh, je moet eens weten wat ik allemaal niet heb gedaan op een voetbalveld. Knijpen, bijten, spugen. Noem het maar op en ik heb het gedaan. Elleboogje hier, elleboogje daar. En maar zuigen bij de scheidsrechter, want die  zag het nooit, maar dan ook nooit goed. Een nieuwe bril moest hij kopen of hij had watten in zijn ogen.”

Totdat hijzelf tot het scheidsrechterskorps toetrad. “We speelden een wedstrijd en zoals gewoonlijk had ik weer veel kritiek. Gerard Vreeken, die hoofd was van de scheidsrechterscommissie bij Katwijk, floot. Op een gegeven moment zei hij: als je het zo goed weet, ga je toch zelf fluiten? Die uitdaging heb ik maar aangenomen.”

Het was het begin van een lange carrière, die hij op zijn 23ste begon. Hij schopte het tot groep 3. Dat was voor hem mooi genoeg. “Van de bond zeiden ze: je kan hoger. Ik reageerde altijd met: hoger? Ja, de boom in. Ik vond het wel goed. Ik was op een gegeven moment 43 jaar. Ik zag het al voor me, op die leeftijd mij  het schompes trainen en dan vervolgens te horen krijgen dat je te oud bent. Daar heb ik vriendelijk voor bedankt.”

Hij bleef wel lang voor de KNVB jeugdwedstrijden fluiten. “Dat was leuk om te doen. Ik vroeg altijd om wedstrijden na twaalven en binnen een straal van 35 kilometer. Dan kon ik bij Katwijk er ’s morgens een jeugdwedstrijdje bij pakken. Dat ging goed, totdat ze me gingen indelen om elf uur in Capelle aan den IJssel.”

Was hij zelf als speler een ‘grote treiteraar’, als scheidsrechter staat Strik te boek als streng. “Ik laat heel weinig toe. Ik fluit consequent en weet hoe galbakken kunnen zijn, want ik was er vroeger zelf één.”

Eens stond er een boomlange vent voor zijn neus. “Die was het niet eens met een beslissing. Hij was zeker twee meter. Ik zeg: oh wee, als jij mij een tik probeert te geven, dan is de eerste tik van mij. Hij: maar dat kan je als scheidsrechter toch niet doen? Ik zeg: hier heb je die tik, een kaart.”

Onorthodox was en is zijn aanpak ook af en toe. “Ik floot een keer een seniorenwedstrijd. Ik werd nog gerapporteerd ook. Op een gegeven moment, vrij vroeg in de wedstrijd, fluit ik voor een overtreding. De speler, die de overtreding maakte, was het er niet mee eens en trapte de bal weg. Normaal is dat natuurlijk een gele kaart, maar ik zei: halen jij. Hij keek me aan alsof hij water zag branden. Toen heb ik het herhaald: halen die bal. En daar ging-ie. Iedereen lag dubbel, tegenstanders en medespelers. Wat stond die speler in zijn hemd. Je begrijpt, ik heb een makkie gehad die middag.”

Strik, die op zaterdag altijd de eerste op de club is (‘tussen kwart voor zes en tien voor zes open ik alles’), heeft het acceptatievermogen richting scheidsrechters de afgelopen decennia zien afnemen. “De ontwikkeling in de maatschappij zie je terug op het voetbalveld”, zegt hij stellig. Hij geeft zijn eigen generatie daarvan ‘de schuld’. “Wij, mijn generatie dus, hebben in de jaren zestig en zeventig bepaalde vrijheden verworven. Dat was goed, maar het is daarna doorgegaan. Die ontwikkeling stoppen is lastig.”

Als voorzitter van de scheidsrechterscommissie is Strik blij dat Katwijk de zaakjes op scheidsrechtersgebied goed op orde heeft. “Natuurlijk kun je nooit genoeg scheidsrechters hebben, maar we mogen niet klagen. We hebben alles redelijk op orde. We zijn niet voor niets ARAG gecertificeerd. Ik heb onlangs voor alle scheidsrechters nieuwe tenues besteld. Uitstraling is heel belangrijk, zeker voor een scheidsrechter. En we hebben oog voor talent. In de B-jeugd loopt een spelertje, die heeft het in zich. En nu al een persoonlijkheid, hé. Kevin Blom kwam namens de KNVB de ARAG Certificatie uitreiken. Hij bleef nog even kijken bij de wedstrijd waar die knul floot. In de rust zei Blom dat hij wegging, want hij moest nog ergens anders heen. Ik hoor het die knul nog zeggen: ‘Dat is goed hoor’. Hij zei er nog net niet bij: je mag, je hebt mijn toestemming. Vijftien, zestien jaar en nu al zo’n persoonlijkheid, heerlijk.”