Er zijn weinig trainers die zo uitgesproken zijn als Ronald Klinkenberg. De oefenmeester woont weliswaar al jarenlang in Krimpen aan den IJssel, maar een Krimpenaar voelt hij zich niet. Wel voelt hij zich tot in de haarvezels verbonden aan DCV, de club waar hij ooit binnenstapte als voetballer en nu bezig is aan zijn derde periode.

Klinkenberg staat voor energie. Dat had hij als beginnend trainer bij Capelle, waar hij zijn eerste successen beleefde, en dat heeft hij bijna een kwarteeuw later nog steeds. En dat met dezelfde gedrevenheid en motivatie als destijds. “Zoiets zit in je en dat is niet leeftijdsgebonden”, zegt hij over zijn eigen energiebron. “Ik ben 62, maar zo voel ik me niet. Eerder 42.”

Toen Klinkenberg twee seizoenen geleden voor de tweede keer trainer werd van DCV, deed hij dat in de wetenschap een andere club te gaan trainen dan in zijn eerste periode. De club had een streep gezet door de vergoedingen voor spelers en daarmee de weg geplaveid naar een elftal met een echt DCV-gezicht. Daar kwam zes jaar geleden ook nog eens de overstap naar de zaterdag bij. “Ik denk dat de club moedige, maar ook noodzakelijke keuzes heeft gemaakt”, meent de voormalig oefenmeester van onder andere Barendrecht en Kozakken Boys.

“Het is belangrijk dat een eerste elftal onderdeel uitmaakt van de club en niet een los iets is. Daardoor verwaarloos je je talenten, daar is veel minder oog voor. Jonge spelers moeten het gevoel hebben het eerste te kunnen halen. Onlangs speelden we tegen Bruse Boys en stonden er tien eigen jongens in de basis.”

Een trainer kan daarin een belangrijke rol spelen, vindt Klinkenberg. “Trainers hoeven geen passant te zijn. Ik zie mezelf meer als een verbinder. Bij alle clubs waar ik gewerkt heb, heb ik verder gekeken dan alleen het eerste elftal. Ik wil iets in de melk te brokkelen hebben. Bij DCV train ik naast de selectie ook de JO9. Dat doe ik omdat ik het leuk vind, maar ook om de jeugdopleiding naar een hoger plan te tillen. Ik hoop trainers in mijn enthousiasme mee te krijgen. Ik wil dat spelers uit de selectie training geven, kennis die ze hebben opgedaan doorgeven aan de jongere generatie. Ik wil mijn visie overbrengen, de winnaars van vandaag kweken. Het wij-gevoel creëren.”

Alles wat Klinkenberg doet, doet hij met passie. “Betrokkenheid, daar gaat het om. Ik vind dat ik het goede voorbeeld moet geven. Heus, bij DCV gebeurde voor mijn terugkeer goede dingen. Het was alleen qua jeugdopleiding te weinig ‘samengeklonterd’. Er was wel een doel, maar geen gezamenlijk doel. Dat besef zie je langzaam komen. Op alle vlakken.”

Met DCV promoveerde hij vorig seizoen naar de eerste klasse. Spelen op dat niveau met het nieuwe DCV-model noemt Klinkenberg een ‘superuitdaging’. “Ik heb het tegen die jongens eigenlijk nooit over we moeten ‘dit’ of we moeten ‘dat’. Het heeft helemaal geen zin om extra druk op te leggen en te roepen dat we moeten handhaven. Je moet gericht zijn op ontspanning en beleving. We zitten midden in een proces en in dat proces zit ingesloten dat we regelmatig verliezen. Verliezen en verliezen is één, maar je moet er wel steeds naar streven om elke keer een paar procent beter te gaan worden. Daar horen basiswaarden als lef en bravoure bij. Soms ontbreekt dat beetje nijd bij ons. Dan kan ik ook spijkerhard zijn. Voor alles geldt: je moet de juiste uitdaging creëren.”